Door Sanne, Didactisch Adviseur bij Jungle the Bungle
In gesprekken met scholen en leerkrachten horen we regelmatig waar zij in de praktijk tegenaan lopen en waar behoefte aan is. Vooral rondom NT2 krijgen we veel vragen over hoe je leerlingen kunt helpen om woorden die ze oefenen ook echt te gebruiken. In deze blog delen we praktische ideeën die je direct in de klas kunt toepassen.
In Jungle the Bungle oefenen leerlingen spelenderwijs nieuwe woorden. Ze horen woorden, zien wat ze betekenen, spreken ze uit en komen ze tijdens verschillende minigames opnieuw tegen.
Maar taal leren stopt natuurlijk niet wanneer de app wordt afgesloten. Door woorden ook buiten de app terug te laten komen, krijgen leerlingen de kans om ze in andere situaties opnieuw te horen én zelf te gebruiken. Dat hoeft niet ingewikkeld of tijdrovend te zijn. Een korte vraag na het spelen, een gesprekje met een klasgenoot of een woord dat later op de dag opnieuw voorbijkomt, kan al een mooi taalmoment opleveren.
De voorbeelden in deze blog zijn vooral gericht op Nederlands en NT2, omdat we merken dat daar bij scholen veel behoefte aan is. De tips zijn echter ook bruikbaar bij het oefenen van andere talen.
1. Sluit aan bij wat er speelt
Kies waar mogelijk woorden en thema’s die passen bij wat er op dat moment in de klas, op school of in het dagelijks leven van de leerling speelt.
Werken jullie rond eten en drinken? Is het bijna herfst? Gaan jullie binnenkort op schoolreis? Of merk je dat een NT2-leerling bepaalde woorden nodig heeft om mee te kunnen doen in de klas?
In Jungle the Bungle kun je thema’s per leerling instellen. Zo kun je het oefenen in de app laten aansluiten bij wat voor die leerling op dat moment relevant is.
Laat de woorden vervolgens ook gedurende de dag terugkomen. Woorden over kleding kun je bijvoorbeeld opnieuw gebruiken bij het aantrekken van de jas en woorden over eten en drinken tijdens het fruitmoment.
2. Praat kort na het spelen
Maak van het einde van een oefenmoment een klein taalmoment. Dat hoeft maar een paar minuten te duren. Kies één of twee vragen en praat kort door op het antwoord.
Vraag bijvoorbeeld:
- Welke woorden heb je vandaag geoefend?
- Kun je iets vertellen over één van die woorden?
- Kun je met dit woord een zin maken?
- Waar kom je dit woord in het dagelijks leven tegen?
- Kun je iets in de klas aanwijzen dat bij één van de woorden past?
- Welk woord wil je nog een keer oefenen?
Een leerling hoeft niet meteen uitgebreid antwoord te geven. Zeker bij beginnende NT2-leerlingen kan één woord zeggen of iets aanwijzen al een prima startpunt zijn. Van daaruit kun je samen verder bouwen.
Tip: stel niet alle vragen achter elkaar. Kies er één of twee en haak aan op wat de leerling vertelt. Zo wordt het geen controlemoment, maar ontstaat er een kort gesprek waarin de leerling de woorden actief kan gebruiken.
3. Geef zelf het goede taalvoorbeeld
Als leerkracht kun je tijdens een gesprek veel taal meegeven, zonder er meteen een taalles of correctiemoment van te maken.
Geeft een leerling antwoord met één woord of een korte of onvolledige zin? Reageer op wat de leerling wil vertellen en geef in je antwoord meteen een goed taalvoorbeeld.
Zegt een leerling bijvoorbeeld “blauw”, dan kun je reageren met: “Ja, jouw jas is blauw.” Zegt een leerling “appel eten”, dan kun je antwoorden: “Ja, jij eet een appel.”
Je bevestigt daarmee wat de leerling bedoelt en laat tegelijkertijd horen hoe je het woord in een volledige zin kunt gebruiken. Je kunt de zin ook iets uitbreiden. Bij “grote hond” kun je bijvoorbeeld reageren met: “Ja, dat is een grote hond.”
Tip: niet iedere fout hoeft direct verbeterd te worden. Houd het gesprek gaande en geef in je eigen reactie het goede taalvoorbeeld. Zo krijgt de leerling taalsteun én ruimte om verder te praten.
4. Bouw de taal stap voor stap uit
Kan een leerling een woord benoemen? Kijk dan of je vanuit dat woord samen een volgende stap kunt zetten. Niet iedere leerling hoeft daarbij evenveel taal te gebruiken.
Bijvoorbeeld:
appel → Dit is een appel. → Ik eet een appel.
jas → Dit is mijn jas. → Mijn jas is blauw.
Stel vervolgens een vraag die past bij wat de leerling al kan. Dat kan heel eenvoudig beginnen: Welke kleur heeft jouw jas? of Eet jij graag appels?
Kan de leerling al wat meer vertellen? Vraag dan verder: Wanneer draag jij je jas? of Welk fruit eet jij nog meer?
Je kunt daarbij helpen met een beginzin als dat nodig is: Mijn jas is …, Ik eet graag … of In mijn tas zit …
Geef de leerling vervolgens voldoende tijd en ruimte om zelf te antwoorden. Het doel is niet om zo snel mogelijk bij een lange, correcte zin uit te komen, maar om vanuit wat een leerling al kan steeds iets meer taal uit te lokken.
Zo kun je de ondersteuning aanpassen aan de leerling: eerst voordoen en helpen, daarna steeds meer ruimte geven om het zelf te zeggen.
5. Laat leerlingen met elkaar oefenen
Taal leer je ook door het samen met anderen te gebruiken. Geef leerlingen daarom de kans om met elkaar te praten over de woorden en thema’s die ze in de app hebben geoefend.
Geef daarbij een kleine opdracht die uitnodigt om naar elkaar te luisteren én op elkaar te reageren. Laat leerlingen bijvoorbeeld:
- elkaar een vraag stellen met een geoefend woord;
- om de beurt iets aanwijzen, benoemen of beschrijven;
- een woord omschrijven of uitbeelden, terwijl de ander raadt;
- elkaar iets vertellen over een herkenbaar onderwerp, zoals: Wat eet jij graag? of Wat trek jij aan als het regent?
Bij leerlingen die nog weinig Nederlands spreken, helpt het om taalsteun te geven. Geef bijvoorbeeld een beginzin of vaste vraag mee, zoals “Ik zie …”, “Ik vind … leuk” of “Wat vind jij van …?”. Zo hoeft een leerling niet alles zelf te formuleren en wordt het makkelijker om mee te doen aan het gesprek.
Tip: meedoen hoeft niet meteen te betekenen dat een leerling veel praat. Ook luisteren, aanwijzen, uitbeelden of reageren met een enkel woord kan een eerste stap zijn. Geef de leerling steeds iets meer ruimte om zelf te formuleren wanneer dat lukt.
6. Laat woorden gedurende de dag terugkomen
Taal oefenen hoeft niet altijd een aparte activiteit te zijn. Juist gedurende de schooldag ontstaan allerlei natuurlijke momenten om woorden opnieuw te horen én te gebruiken.
Heeft een leerling woorden rondom eten geoefend? Laat ze tijdens het fruitmoment terugkomen. Bij woorden over kleding kun je tijdens het aantrekken van de jas een vraag stellen. Woorden over de natuur kun je buiten opnieuw benoemen en gebruiken.
Kijk daarbij vooral naar wat er die dag speelt. Een gymles, een verjaardag, een uitstapje of een activiteit in de klas kan een mooie aanleiding zijn om woorden die een leerling heeft geoefend opnieuw te gebruiken.
Voor NT2-leerlingen is dit bijvoorbeeld een mooie manier om woorden die zij oefenen te verbinden aan situaties waarin zij het Nederlands nodig hebben.
Houd het klein
Je hoeft van deze tips geen extra taalles te maken. Juist kleine taalmomenten zijn makkelijk te verweven in de schooldag.
Probeer bijvoorbeeld eens:
10 minuten spelen → 2 minuten napraten → 1 woord bewust verder gebruiken
Of kies een paar woorden uit het thema die je die dag bewust nog eens laat terugkomen.
Het belangrijkste is niet dat je alles tegelijk doet. Geef leerlingen meerdere kansen om woorden opnieuw te horen, te begrijpen én zelf te gebruiken.
En de andere talen?
In deze blog gebruiken we bewust veel voorbeelden uit het Nederlands, omdat we merken dat scholen vooral behoefte hebben aan praktische handvatten voor NT2-leerlingen. De basis van deze tips is ook bruikbaar bij het oefenen van Engels, Frans en Spaans: bied woorden aan in een betekenisvolle context, laat ze regelmatig terugkomen en geef leerlingen kansen om de taal zelf te gebruiken.
Welke taal een leerling ook oefent: sluit aan bij wat er speelt, laat woorden terugkomen en creëer momenten waarop leerlingen de taal zelf kunnen gebruiken.

